3.1 Een externe LED
De ingebouwde LED op pin 13 is handig om te testen, maar echt leuk wordt het pas als je je eigen LED aansluit. Daarvoor heb je naast de LED ook een weerstand nodig.
Waarom een weerstand?
Een LED laat heel veel stroom door als je hem zomaar op 5 volt aansluit — zo veel dat hij doorbrandt. Een weerstand van 220 Ω in serie beperkt die stroom tot een veilige waarde. Geen weerstand betekent een kapotte LED (en soms een kapotte pin).
Het circuit
Sluit het zo aan:
- Pin 8 → weerstand (220 Ω) → lange pootje van de LED (de plus, de anode).
- Korte pootje van de LED (de min, de kathode) →
GND.
Een LED heeft dus een richting. Zit hij verkeerd om, dan brandt hij niet.
De code
void setup() {
pinMode(8, OUTPUT);
}
void loop() {
digitalWrite(8, HIGH);
delay(500);
digitalWrite(8, LOW);
delay(500);
}
Dit is bijna dezelfde sketch als de blink uit hoofdstuk 2, maar nu op pin 8 — een pin die jij zelf bedraadt. digitalWrite(8, HIGH) zet er 5 volt op, de stroom loopt door de weerstand en de LED, en de LED brandt.
Vergeet de weerstand niet. In de simulator gebeurt er zonder weerstand niets ergs, maar in het echt brandt je LED door.
Opdracht 3.1.a: Twee LED's om en om
Sluit een tweede LED aan op pin 9 (weer met een eigen weerstand). Laat de twee LED's om en om knipperen: als de een aan is, is de ander uit.
Klik hier voor een tip!
Stel beide pinnen in als OUTPUT in setup(). Zet in loop() de ene HIGH en de andere LOW, wacht, en draai het dan om.
Klik hier voor de oplossing!
void setup() {
pinMode(8, OUTPUT);
pinMode(9, OUTPUT);
}
void loop() {
digitalWrite(8, HIGH);
digitalWrite(9, LOW);
delay(500);
digitalWrite(8, LOW);
digitalWrite(9, HIGH);
delay(500);
}